Eén van de eerste dingen die opvalt aan werken in de Ideeënfabriek is de drukke gezamenlijke lunch. En de manier waarop deze is gefaciliteerd: iedere werknemer krijgt een lunchpas van de werkgever, die de lunch voor je heeft afgekocht. Die zit er gewoon bij. Een strategische meesterzet.

“Daar kun je wel aan wennen”, voorspelde collega Denise bij het lunchbuffet. En zo is het. Als docent eet je je bammetjes namelijk vooral achter je computer of vlug-vlug tussen de lessen door. Eén van mijn eerste baantjes – voor SportFlitz, dat websites en online magazines maakt voor sportorganisaties – was bij de Bossche ondernemer Frank van Geloven. Hij schroomde nooit om ons freelancers uit te nodigen voor het avondeten. De kipfilet met chocoladesaus, een recept uit de Allerhande, kan ik me nog herinneren.

Ik woonde nog thuis destijds en mijn moeder verklaarde: “Dat is echt iets Brabants. Zo was opa Huijbers ook.” Opa was bakker. En goede werknemers mochten – als ze maar hard genoeg voor hem werkten – altijd mee eten. Het klinkt zo simpel, mensen een maaltijd aanbieden, maar het doet veel. Als waardering. Als gezamenlijke activiteit.

Eten is liefde

Als we het dan toch hebben over werkgeverschap: eten is een absoluut onderschatte factor. Inmiddels is de roep vanuit werknemers om goed eten een jaarlijks terugkerend fenomeen in de nieuwsberichten. Mooier nog is als de werkgever zelf overtuigd is van het nut ervan. Social Marketing-goeroe Jeff French kwam er in zijn onderzoeken al achter: eten is zijn functie om in levensonderhoud te voorzien al lang voorbij. Eten is liefde tonen. En dat weten de fijne werkgevers in Brabant maar al te goed.